Regisseur Martijn Maria Smits zal de reacties kunnen dromen en er na een tijd ook vast genoeg van hebben. ‘Die film van jou is er sprekend een van de Dardenne’s.’ Hij zal die reacties van repliek dienen door te zeggen dat de broers met een dichtgetimmerd script werken en dat er maanden van repetities met een professsionele cast voorafgaan aan de opnames, terwijl hij een veel meer geïmproviseerde film heeft gemaakt met een cast die grotendeels uit amateurs bestaat. Maar het resultaat doet inderdaad erg denken aan het werk van de twee Walen. Overigens ook aan dat van Bruno Dumont.

In C’est déjà l’été volgt Smits een gezin bestaande uit een werkloze vader die zich vastklampt aan het leven met baan dat hij daarvoor had, zijn dochter die met een baby en een vriend in de gevangenis ook weinig kansen voor zichzelf ziet en een zoon die er alleen voor staat en met jeugdig enthousiasme het criminele pad kiest. Dit alles speelt zich af in industriestad Seraing, een oord dat hopeloosheid uitschreeuwt uit alle porieën. Smits volgt de drie op hun moeilijke pad door ze letterlijk dicht op de huid te zitten en zijn camera middenin de actie te zetten. Daardoor weet hij een gevoel van urgentie op te roepen dat je als kijker bij de strop grijpt. Een fascinerend debuut dat op veel fronten slaagt. De montage had nog wat strakker gemogen, nu mist de film af en toe wat richting, maar voor de rest kan Smits zich aardig meten met de illustere broers. Met C’est déjà l’été levert hij een film die Nederland voor het eerst sinds Tussenland van Eugenie Jansen wel eens een Tiger Award zou kunnen opleveren.