Deze verfilming van de wereldberoemde gothic novel van Mary Shelley is het project waar Guillermo Del Toro zijn hele filmcarriere naar toe heeft gewerkt. Alle elementen die hem fascineren zitten erin en dat wist hij 30 jaar geleden al. De regisseur kan het boek dan ook vrij natuurgetrouw volgen, al zitten er wat veranderingen in ten opzichte van de originele tekst. De belangrijkste is de manier waarop het wezen is ontstaan, als een samenstelling van lichaamsdelen die uit lijken waren gehaald, en hoe het tot leven wordt gewekt (met een blikseminslag). Beide elementen staan niet zo expliciet in het boek en lijken eerder gebaseerd op James Whales populaire verfilming van het verhaal uit 1931, met Boris Karloff als het monster, en andere vroege verfilmingen. De versie van Whale is zo beroemd dat hij Shelley’s roman sindsdien heeft overschaduwd, inclusief het beeld van de tegen waanzin aan hangende Victor Frankenstein. Op haar beurt leunde Shelley op Griekse en Romeinse mythen, zie de subtitel ‘The Modern Prometheus’, en de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs zoals verteld in John Miltons Paradise Lost. Al deze elementen zitten ook in Del Toro’s versie en hij neemt ook de ruimte om alles vet aan te zetten. Zo bevat de film een nogal expliciete scene met een menselijk kadaver in een anatomisch theater, laat hij Victor slagvelden afschuimen, op zoek naar geschikte lichamen van gedode soldaten. En laat hij hem een afgelegen toren in gebruik te nemen waarin Victor bliksem kan vangen. Alleen al in de extreme gothic look daarvan is de wellust te herkennen waarmee de regisseur zich op zijn onderwerp heeft gegooid.
Het nadeel van het kijken naar een verfilming van Frankenstein is natuurlijk dat het verhaal zo bekend is. Je weet wat er gaat gebeuren. Het is hoogstens de manier waarop het gevisualiseerd wordt, dat je nog verrast kan worden. Hetzelfde gebeurde bij Robert Eggers’ nieuwe versie van Nosferatu. Door die bekendheid is het in elk geval geen probleem om de raamvertelling aan te houden zoals die al in het boek zat, beginnend met het verhaal van de kapitein die met zijn schip vast zit in het pakijs en daar geconfronteerd wordt met Victor en het monster. Dat de twee elkaar tot aan het einde van de wereld naar het leven staan, zat al in het boek en keert terug in meerdere verfilmingen.
Frankenstein is ook niet zozeer horror maar een tragisch verhaal over obsessie, verlating, moord, dood, vernietiging, eenzaamheid en diep verdriet. Victor speelt voor God in de creatie van zijn monster maar is zo teleurgesteld over het resultaat dat die creatie moet sterven. Het naamloze monster hunkert intussen naar liefde maar wordt keer op keer teleurgesteld. Door Victor maar ook door vrijwel elk ander mens waarmee hij geconfronteerd wordt. In haar boek koos Shelley geen kant en beschrijft het monster zelfs als mooi en elegant. In het boek creëert Victor leven en zijn creatie doodt mensen maar toch is het de vraag wie van de twee nu het echte monster is. Del Toro houdt die dualiteit erin, mede ook omdat zijn versie lijkt op die van Shelley: het monster is eerder tragisch en eenzaam dan gruwelijk. Sympathiek zelfs. Fysiek lijkt hij op de scheppers in Prometheus, een marmeren look die tegelijk kwetsbaar is. Ook is het verbaal sterk, na veel oefenen, wat een groot verschil is met het gemompel in talloze andere verfilmingen. Er is echter ook een groot verschil. Bij Del Toro lijkt het monster onsterfelijk, het herstelt zichzelf van alle verwondingen. Dat maakt zijn lot nog tragischer.
Ik heb vrijwel alle films van de Mexiciaanse regisseur gezien. Van zijn erg interessante debuut Cronos (1992), zijn entree in Hollywood met Mimic (1997), zijn sprong naar Spanje met The Devil’s Backbone (2001), terugkeer naar Hollywood met Blade II (2002) en het geweldige Hellboy (2004), tot de grote doorbraak met Pan’s Labyrinth (2006). Hij bleef aan het werk maar het valt op dat er ook geregeld gaten vallen. 13 films in meer dan 30 jaar is niet heel veel. Maar het is genoeg om zijn fascinaties ter herkennen. Kort gezegd heeft Del Toro niet zoveel met de werkelijkheid, met alledaagsheid. Hij voelt zich aangetrokken tot het buitenissige. Dat is zijn goed recht en heeft ook veel moois opgeleverd. Toch bleef bij mij altijd het gevoel overheersen dat de stijl de inhoud overheerst. Met Frankenstein heeft hij echter wel een goede mix weten te maken van het buitenissige en interessante personages, al is hij wel erg lang. Wat dat betreft heeft hij de snoeppot helemaal leeggegeten. De film voelt dan ook als een eindpunt. Ik lees online dat hij gaat werken aan een geanimeerde versie van de roman The Buried Giant, van Kazuo Ishiguro. Ook fantasy maar qua toon lijkt het me wel anders. Ben benieuwd.