Het begon allemaal zo mooi met Bob Ross op televisie in ons hotel in Walden (the moose viewing capital of the world). Terwijl ik op de bank een stukje schreef was Erik in de ban van de zalige stem van Bob die zoals altijd vertelde over ‘happy little trees who need a friend’ en al schilderend een sprookjesachtig landschap tevoorschijn toverde.

In zo’n landschap belandden wij diezelfde middag nog. Na een swingende tocht over route 130 met de tingtings op kwamen we aan op sugarloaf campground, een idyllisch plekje waar hout al gesprokkeld voor ons klaarlag naast de vuurkorf. Het was een uur ‘s middags, en we wilden nog een wandeling maken voor we ons zouden nestelen bij de tent. Een prachtige roundtrip van 7,5 mile (zei het mannetje bij het visitor centre) langs diverse meren en besneeuwde berghellingen naar een top op 12.000 feet.

En zo begonnen we, nog een beetje moe van gisteren, maar al snel in de ban van de weerspiegeling van meren en ijs, een strakblauwe lucht en her en der een van Bob’s happy little friends. Veel vissers kwamen we tegen, maar na the north gap lake werd het stil. Wij liepen verder, met de kaart op zak en in de veronderstelling dat het te doen moest zijn. Halverwege hebben we dat idee laten varen, maar er zat niks anders op dan door te lopen. Als we niet om 17.30 thuis zouden komen, dan toch wel om 18.30 of 19.30. En toen moesten we nog naar de top.

Buiten adem en met zwabberende benen bereikten we -bijna boven- een punt waar een jongen een joint aan het rollen was. Hij kende het gebied op zijn duimpje en wilde kamperen met volle maan. Hij schatte in dat het nog een uur lopen naar beneden was dus dat stelde ons gerust. Het was toen 18.30.

Maar ergens boven moeten we een afslag gemist hebben en zijn we -klimmend over rotsen- palen gaan volgen waarvan we dachten dat ze ons de berg af zouden leiden. Na een behoorlijk stuk klauteren bleek dit niet het geval. De campground die we eerder rechts beneden hadden zien liggen, raakte steeds verder uit het zicht. En wij maar ploegen over die rotsen, van paal naar paal,in de hoop bij elke bergrand beter zicht te krijgen op de weg naar beneden. Erik zei nog dat ze de palen niet op de makkelijkste plekken hadden neergezet, en ik heb nog gewaarschuwd om niet te struikelen over de staaldraden die van paal naar paal over de grond met ons meeliepen. Ondertussen verstreek de tijd, en waren we inmiddels doodop. Onze waterflessen waren leeg, we hadden nix meer te eten en het begon donker te worden ..

Er bestaat een omslagpunt tussen het moment dat je nog gaat voor een eerder gesteld doel en het (al dan niet buitenissige) geloof dat dit haalbaar is, tot het moment dat je dit moet laten varen en iets nieuws moet bedenken. We zaten op een platte steen, bovenop een berg midden tussen die rotsen met alleen steile ijshellingen en stenen om ons heen. Het was een aangename steen, een beetje warm zelfs, en een paniekaanval (bij mij) was achter de rug. De zon was ondergegaan en liet in de linkervallei een rode gloed achter. Over de rechtervallei waakte de maan. In het midden van de steen was een deuk gevuld met een laagje vocht. Met onze filterpomp hebben we dat (stilstaand) water opgezogen in een van onze flessen. In case of emergency.

We moesten hoe dan ook naar beneden, maar hoe? In de palen hadden we allang geen vertrouwen meer (we zagen in dat we bliksemafleiders hadden gevolgd), maar teruggaan (over de top) was ook geen optie. Erik stelde voor steil af te dalen aan de rechterkant en de ijsrand te volgen, in de hoop dat we daar omheen zouden kunnen. En zo gezegd zo gedaan. Stijf van de adrenaline hingen we om 22.00 uur -gelukkig met een zaklamp- aan de bergwand met een ijskap onder ons en in de verte een meer. Water, dachten we.

Hoe ongelukkig we daar ook hingen, met hele rotsblokken die onder ons naar beneden rommelden, we daalden in elk geval af. Op onze kont, met de rug naar de wand probeerden we zo goed en zo kwaad als het ging onze grip en balans te bewaren. Een keer viel onze zaklamp naar beneden, en we zagen het lampje de diepte in duikelen. Gelukkig bleef het branden, en Erik heeft het opgehaald. Toen we inzagen dat er overal rondom ons ijs was, besloten we erover heen te lopen. We konden niet anders. Met onze schoenen dwars op de bergrand en ons gezicht naar de sneeuw gekeerd zijn we afgedaald, onze hielen stevig in het ijs duwend om enigzins grip te behouden. Doodeng, want je weet niet wat eronder ligt, maar het is gelukt!

Onderaan de ijskap was een beek waar we gelijk onze flessen hebben gevuld. Heerlijk, water, en weer bodem onder onze voeten. Met behulp van de kaart en de zaklamp kwamen we erachter dat we bij de punt van the north gap lake moesten zitten. Niet veel later vonden we het pad, dat we eerder vandaag gevolgd hadden. Een verademing, en de heldere maan helpt. Tegelijkertijd slaat dan de vermoeidheid weer toe. Het is dan nog een eind lopen door het halfdonker en we hebben moeite om het pad goed in het zicht te houden, maar we hebben in elk geval zekerheid dat we het kunnen halen. We beginnen te kletsen.

Om 0.15 bereiken we eindelijk onze slaapzakken waar we dan al uren naar hebben verlangd. We eten nog een mueslibar, maar krijgen iets anders niet weg. Zodra we in de tent liggen voelen we overal onrust, vermoeidheid, een kloppend hart. Het duurt nog uren voor we in slaap vallen. Bob Ross heeft een bijsmaak gekregen.
[geo_mashup_map]