Libanon, juni 1982. Onder leiding van Defensieminister Ariel Sharon valt Israël Libanon binnen en start daarmee een oorlog die duizenden doden zou eisen. Directe aanleiding was een mislukte moordaanslag op de Israëlische ambassadeur in Groot-Brittannië, maar de situatie was al lang onrustig en met wederzijdse beschietingen tussen Israel en de PLO leek escalatie van het conflict onafwendbaar.

Regisseur Samuel Maoz gebruikt de chaotische begindagen van de oorlog als achtergrond voor de extreme druk waaraan een tankbemanning bloot staat als de mannen, vrijwel blind, hun weg moeten zoeken in vijandig gebied. Maoz maakt die verblinding letterlijk door zijn camera te plaatsen in de tank zelf en alleen beelden van de omgeving te laten zien door het vizier waarmee de bemanning naar buiten kijkt. Deze letterlijke vernauwing van de blik en de beperking die Maoz zich met de locatie opwerpt, werkt goed. Hij bereikt het realisme waar hij naar streeft en de stress waar de bemanning onder staat wordt overgebracht op de kijker. Die ziet de mannen constant van dichtbij, waardoor identificatie met hun missie slechts een kleine stap is. Ook weet de regisseur creatief om te gaan met de ruimte door zijn camera naar details te laten zoeken en die visueel gewicht te geven. Maar buiten die gimmick heeft Maoz niet echts iets nieuws te melden. De manier waarop de bemanning met elkaar omgaat, de clichématige onderlinge verschillen, de beperkte informatie waar ze over beschikken, de problemen die ze hebben om gefundeerde beslissingen te nemen en de zinloosheid van hun missie zijn zo oud als het fenomeen oorlog zelf.

Problematischer is echter dat Maoz, ondanks de positionering van zijn film in de oorlog van 1982, geen mening lijkt te hebben over dat conflict. Hij laat het bij algemene duidingen als ‘oorlog is slecht’ en ‘in oorlog zijn alleen maar verliezers’. Dat maakt dat Lebanon de film weinig met Lebanon de oorlog te maken heeft, wat toch wel een gemiste kans mag heten.