De zomer waar alles gebeurde, alles goed ging, alles fout ging, en waar ik volwassen had moeten worden. Een zomer die zeer hectisch begon. Althans, voor velen uit mijn nabije omgeving.

Het was het laatste jaar van mijn verblijf op het, nu alles voorbij is en de nostalgie overheerst, zo geliefde St. Willibrord Gymnasium. Dat zo lommerrijke en zich in de oksel van het verre Deurne nestelende schooltje, waar leerlingen klaargestoomd werden voor het echte leven. Nou ja, echt. Er zaten nogal wat wereldvreemde types, die met veel geluk een baantje zouden kunnen vinden op een of ander onderzoeksintituut à la Voskuils bureau. Maar ook zij liepen tegen de deadline aan. Het door velen gevreesde eindexamen, dat als een zwaard van Damocles al maanden boven onze hoofden hing, naderde met rasse schreden. Die tijd waarin de kroon op zes, of zeven, of acht jaren studie gezet diende te worden. En die kroon was zwaar. Niet zozeer vanwege de leerstof waar hij mee gevoerd was, maar door de mentale druk die het einde van een tijdperk nou eenmaal met zich mee brengt.

Gelukkig had ik van die druk geen last. Ik had m’n schoolonderzoeken, de pré examens die in ons geval nog moelijker waren dan het uiteindelijke Laatste Oordeel, zodanig verknald, dat ik weinig hoop hoefde te koesteren deze door mij zelf gegraven kuil met een zinderende finale te dichten. Vol goede moed, niet gehinderd door enige vrees, aanvaardde ik dan ook de voor mij liggende taak.

In de avond een beetje de boeken doornemen, en de volgende ochtend de formuliertjes invullen die door de in een taak van surveillant gezette, maar dat in het geheel niet vervelend vindende, legertje docenten die in de jaren daarvoor verwoedde pogingen hadden gedaan de nu gevraagde kennis in mijn hersenpan te gieten, uitgedeeld werden. Na afloop van elke beproeving had ik veelal geen idee over de grootte van de prestatie die ik had neergezet. “Hoe heb jij het gemaakt?”. “Ik zou het niet weten”, was meestal het antwoord.
Zo doorliep ik die weken.

Ik had zelfs nog tijd om in de weekends eens die vermaarde plek des onheils binnen te lopen, waar de zich niet met iets aards als arbeid bezig houdende bevolkingsgroep, in de volksmond werklozen genoemd, zich ophield. Dat oord heette, in het licht van voorgaande opmerking euphemistisch, ‘t Spektakel.
Dus op de vrijdag dat in de ochtend de ongelukkigen gebeld werden die de eindstreep, vooralsnog, niet gehaald hadden, was het slechts wachten op het telefoontje van de conrector. Met een zwaar gemoed en diepe treurnis in zijn stem, zou hij een zin beginnen als: “Het valt mij zwaar de persoon te zijn die…….” Tussen negen en twaalf ijsbeerde m’n moeder dan ook door de woonkamer, met een tegen de muur hangende Erik als toeschouwer. “Mam, jij moet je niet druk maken. Dat is mijn taak.” Wat ik dus vervolgens niet deed.

Bij de slag van twaalf keek ze me een blik vol vertwijfeling aan. “Betekent dit dat je geslaagd bent?” Langzaam gaf ik een bevestigende knik. Toen ze me omhelsde kon ik het nog niet vatten. Er moest een fout gemaakt zijn. Onze telefoon is stuk. Iemand heeft verkeerd geteld. Formulieren zijn verwisseld. Iets dergelijks. Dus in de middag naar school. Blije gezichten alom. Men begon mij al te condoleren, vast in de overtuiging verkerend dat ik toch zeker gezakt zou zijn. Maar toen de geslaagden omgeroepen werden, of ik mijn naam op een lijst zag, de precieze vorm is me ontschoten, en ik als geslaagd werd aangemerkt, kon het niet anders dan waar zijn.

Wonderlijk genoeg was ik niet echt blij. Dat kwam deels door het bericht dat vlak voor deze heuglijke dag een klasgenoot van me een dodelijk ongeluk had gehad. Daardoor en door de gedachten rondom verleden, heden, en vooral toekomst, ging er zo veel door me heen dat een vreugdekreet ongepast leek. Ik had immers geen idee wat te doen met die toekomst. Daar zou ik toch immers nog een jaar extra voor hebben om over na te denken?

Omdat er diezelfde periode nog zaken speelden als de ontdekking van het reeds genoemde Spektakel, aspergesteekwedstrijden bij een mateloos interessante kroegtijger/boer aan de Laarbroek, het Europees Kampioenschap van Nederland, een vakantie in Hongarije waar een, treurig genoeg uit één richting komende, zware verliefdheid aan overgehouden werd, kan ik die zomer van 88 toch wel als zeer bijzonder en in mijn geheugen gegrift beschouwen.

De herfst is een ander verhaal.